Paragraaf 2: de standen in de 18de eeuw

De standen in de 18de eeuw
De 1ste stand, dat waren de hoge geestelijken. Zij hadden de meeste macht.
De 2de stand, dat was de adel. Zij betaalden bijna geen belasting, en bezaten 1/5 deel van het land.
De 3de stand, dat waren de burgers en arbeiders uit de steden, en de boeren van het platteland. Zij betaalden veel belasting, en bezaten maar een beetje land.

Voorrechten
Voorrechten van de geestelijken:

Voorrechten van de adel:

Klachten van de 3de stand
Klachten van de boeren
De boeren waren in deze tijd zeer ontevreden. Ze voelden zich achtergesteld en hadden veel verplichtingen omdat ze horigen waren. Als er bijvoorbeeld een slechte oogst was moesten ze eerst aan hun heer betalen en wat ze overhielden mochten ze zelf houden, maar dat was vaak lang niet genoeg. Zo werden de boeren steeds ontevredener.

Klachten van stedelijke werklieden

Klachten van de Bourgeoisie

Problemen tussen de oude en de nieuwe adel

De rijke burgers waren het hier niet mee eens. Ze begonnen steeds meer kritiek op de adel te leveren. Ze vonden dat de adel niet beter was dan de Bourgeoisie. Ze vonden dat je vooral naar de kwaliteit van de mens moest kijken.


Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!