Paragraaf 2: de standen in de 18de eeuw
De standen in de 18de eeuw
De 1ste stand, dat waren de hoge geestelijken. Zij hadden de meeste macht.
De 2de stand, dat was de adel. Zij betaalden bijna geen belasting, en bezaten 1/5 deel van het land.
De 3de stand, dat waren de burgers en arbeiders uit de steden, en de boeren van het platteland. Zij betaalden veel belasting, en bezaten maar een beetje land.
Voorrechten
Voorrechten van de geestelijken:
- De kerk bezat 10% van al het land in Frankrijk. De geestelijken maakten maar 1% van de bevolking uit.
- De kerk mocht alle Fransen belasting laten betalen terwijl zij zelf niks hoefden te betalen. In ruil daarvoor schonk de kerk af en toe een bedrag aan de staat waar van ze de hoogte zelf vast mochten stellen.
Voorrechten van de adel:
- ± 1,5 % van de bevolking was van de adel. Ze bezaten ook 20% van het land in Frankrijk.
- Ze hoefden bijna geen belasting te betalen
- Ze kregen belangrijke functies in de kerk zoals bisschop, in het bestuur van het land en in het leger.
Klachten van de 3de stand
Klachten van de boeren
De boeren waren in deze tijd zeer ontevreden. Ze voelden zich achtergesteld en hadden veel verplichtingen omdat ze horigen waren. Als er bijvoorbeeld een slechte oogst was moesten ze eerst aan hun heer betalen en wat ze overhielden mochten ze zelf houden, maar dat was vaak lang niet genoeg. Zo werden de boeren steeds ontevredener.
Klachten van stedelijke werklieden
- Zij moesten vaak lang en hard werken, onder ongezonde en onveilige omstandigheden.
- Hun loon was laag en ze konden er niet van rondkomen. Tijdens een misoogst werden zij vooral getroffen omdat de broodprijzen stegen.
Klachten van de Bourgeoisie
- Adel en geestelijken moesten geen of bijna geen belasting betalen.
- Er was geen vrijheid van meningsuiting en drukpers.
- De kooplieden hadden bij hun werk te weinig vrijheid
Problemen tussen de oude en de nieuwe adel
- De oude adel was tegen het kopen van adellijke titels. Hiervoor moesten ze steeds meer geld betalen.
- De oude adel had haar titels gekregen wanneer ze met een ander adellijk persoon trouwde, of er familie van werden.
- De nieuwe adel had haar titels gekocht, omdat ze zo rijk waren. Hierover ontstonden conflicten.
- De oude adel kreeg de koning zover dat hij de Bourgeoisie meer geld ging vragen voor de adellijke titels.
De rijke burgers waren het hier niet mee eens. Ze begonnen steeds meer kritiek op de adel te leveren. Ze vonden dat de adel niet beter was dan de Bourgeoisie. Ze vonden dat je vooral naar de kwaliteit van de mens moest kijken.
Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!