Samenvatting hoofdstuk 1
Tijdbalk
1271-1295 → Marco Polo reist naar Azië
c.a. 1400 → De Renaissance begint in Italië
15e eeuw → De Portugezen verkennen de Afrikaanse kust
1488 → De Portugezen bereiken Kaap de Goede hoop
1492 → Columbus ontdekt Amerika
1498 → Vasco da Gama bereikt India
1519 → Magelhaen begint reis om de wereld
1643-1715 → Lodewijk XIV is koning van Frankrijk
Paragraaf 1
Omstreeks 1400 ontstond in Italië een andere manier van denken. Die verandering verspreidde zich daarna over Europa.
Er komt belangstelling voor de Grieks-Romeinse cultuur. Deze cultuur noemt men de Renaissance.
Kenmerken van de Grieks-Romeinse cultuur:
- leef voor jezelf, niet voor een groep (bijv. de kerk)
- geniet van het leven
- geen geloof in wedergeboorte
Mensen die zich tot deze denkbeelden aangetrokken voelden: geleerden, kunstenaars, rijke burgers en later ook edellieden.
- kooplieden wilden van hun rijkdom kunnen genieten
- vorsten wilden meer macht krijgen
- kunstenaars wilden de stijl van de Grieken en Romeinen overnemen
- geleerden wilden verder gaan waar de Grieken en Romeinen gebleven waren, ook al had de kerk er bezwaar tegen.
Paragraaf 2
Portugezen drijven handel met Azië
De Portugezen gingen de kust van Afrika verkennen. Zij wilden handel drijven met de bevolking.
Portugezen stichtten op verschillende plaatsen factorijen. Een factorij was een handelspost. De plaatselijke bevolking was het vaak niet eens met de komst van de Europeanen. Maar de Europeanen hadden veel betere wapens dan zij.
De Spanjaarden ontdekken Amerika en vestigen er een groot koloniaal rijk
De Italiaan Columbus wilde in westelijke richting naar Azië varen. Van Spanje kreeg hij geld om voor hen deze weg te volgen. Hij ontdekte echter niet Indië, maar Amerika. De Spanjaarden stichtten echter geen factorijen zoals de Portugezen deden, maar kolonies. In zo'n groot veroverd gebied vestigden zich Spaanse landgenoten. Het belangrijkste voor deze kolonisten waren de vele rijkdommen die hun kolonies hen te bieden hadden. In de kustprovincies werden grote plantages aangelegd. Daar liet men de (oorspronkelijke) bevolking suiker en later ook tabak en koffie verbouwen.
Paragraaf 3
Gevolgen van de ontdekkingen
- Verspreiding van mensen over de hele wereld onder blanke leiding.
- Miljoenen sterven door ziekten en geweld
- Uitwisseling van producten en begin van een wereldeconomie
- In West-Europa neemt de handel in producten uit de koloniën toe
Paragraaf 4
Nationale gevoelens ontstaan
Vanaf het einde van de Middeleeuwen ontstonden in West-Europese staten nationale gevoelens: gevoelens dat men als volk bij elkaar hoorde door gemeenschappelijke ervaringen en belangen.
Koningen worden machtiger
- in de steden rekende de bovenlaag van de bevolking erop dat de koning hun handelsbelangen het best kon beschermen
- steeds meer edelen steunden de koning, omdat zij van hem belangrijke taken in het bestuur van de staat kregen.
Meer contact tussen de mensen
- door handel te drijven ontstonden contacten over grotere afstanden
- naast de dialecten ontstonden algemene talen als Frans en Nederlands
- meer mensen leerden lezen en schrijven
- er werden nu ook boeken in de volkstalen geschreven
- door de uitvinding van de boekdrukkunst werden er meer boeken verspreid
Gemeenschappelijke belangen
Mensen uit alle bevolkingsgroepen gingen beseffen dat zij gemeenschappelijke belangen hadden. Bijvoorbeeld om hun godsdienst te verdedigen of om voor hun veiligheid te zorgen.
Gemeenschappelijke ervaringen
Mensen gingen zich meer met elkaar verbonden voelen.
Nationale staten ontstaan
Tussen ± 1450 tot ± 1800 namen West-Europese staten de leiding in de wereld. Een staat is een land met duidelijke grenzen en een centrale regering. We spreken van een nationale staat als de bevolking van een staat voelt dat ze door gemeenschappelijke ervaringen en belangen één volk vormt.
Paragraaf 5
Scheiding tussen kerk en staat
Tot de 13de eeuw dachten de meeste mensen in Europa dat God maar één heerser over de samenleving wilde: de paus. Volgens de kerk hadden vorsten hun macht dus aan de paus te danken en waren zij dus aan hem ondergeschikt. Zij moesten zorgen voor een goed bestuur. Deden zij dat niet goed, dan konden zij door de paus worden afgezet.
De vorsten dachten hier anders over: volgens hen wilde God een verdeling van de macht:
de paus had alles te zeggen over godsdienstige zaken, en de vorsten waren de baas op hun terrein.
Men noemt dit scheiding tussen kerk en staat.
Het absolutisme ontstaat
Er ontstond een autocratie, een regering door één man. De vorst bezat alle macht in de staat. Het was de plicht van zijn onderdanen om hem te gehoorzamen. Deze regeringsvorm noemt men absolutisme.
Parlementen krijgen meer invloed
Tot ± 1800 hebben parlementen bijna overal weinig invloed. De absolute vorsten konden nl. zelf kiezen of een parlement bijeenkwam of niet. En adviezen van het parlement kon men gewoon negeren.
Vanaf ± 1800 kregen parlementen een steeds grotere invloed. Met een parlementaire regeringsvorm bedoelen we een regeringsvorm waarbij de macht in de staat berust bij een parlement.
Ontdekkingsreizigers (WB / WW opdr. 6)
1488: De Portugees Bartholomeus Dias zeilt langs de westkust van Afrika en bereikt Kaap de Goede hoop
1492: De Italiaan Christoffel Columbus, in Spaanse dienst, ontdekt de eilanden in de Caraïbische zee
1497 - 1498: De Portugees Vasco da Gama zeilt om Zuid-Afrika heen en bereikt India.
1497 - 1498: De Italiaan Giovanni Caboto, in Engelse dienst, ontdekt Newfoundland en de oostkust van Amerika.
1500: De Portugees Cabral ontdekt Brazilië, bij de tegenwoordige stad Salvador.
1519 - 1521: De Portugees Magelhaen, in Spaanse dienst, probeert een reis om de wereld te maken. Dat lukt een van de vijf schepen. Magelhaen zelf sneuvelt in een gevecht tegen de Filipijnse bevolking.
1524: De Italiaan Verrazano, in Franse dienst, zeilt de Hudson Baai in Noord-Amerika binnen.
Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!