Samenvatting hoofdstuk 2
Paragraaf 1
De Hervorming of Reformatie
In de Middeleeuwen deed bijna iedereen wat de kerk zei, omdat men anders gestraft werd. Aan het begin van de 16de eeuw groeide het aantal mensen dat kritiek had op de kerk. Deze keer hadden de straffen weinig effect. Toen de kerk niet veranderde, besloot een deel zelf een eigen kerk op te richten. Deze afscheiding van de Katholieke kerk wordt Hervorming of Reformatie genoemd. De aanhangers hiervan worden protestanten genoemd, en hun opvattingen met protestantisme.
Oorzaken van de Hervorming
- De invloed van de nieuwe belangstelling voor de Grieks-Romeinse cultuur
Omdat men tijdens de Renaissance weer belangstelling kreeg voor Grieks en Latijn, ontdekten onderzoekers dat bij het vertalen van de bijbel veel fouten waren gemaakt. Sommigen vonden dat de kerk de bijbel lang niet altijd goed uitlegde, omdat volgens hen veel gebruiken van de kerk niet in de bijbel genoemd werden. De Nederlander Erasmus (1469-1536) was één van de belangrijke onderzoekers die de kerk onderzochten. Zijn werk werd door vele Europeanen gelezen. Erasmus schreef zijn boeken in het Latijn Erasmus schreef over misbruiken in de kerk. Volgends de kerk waren de priesters en de pausen de vertegenwoordigers van Jezus Christus. Maar zij gedroegen zich niet volgens de leefregels van Jezus Christus. Erasmus wilde de kerk verbeteren, maar hij wilde zich niet afscheiden. - Trouw aan eigen land en koning wordt belangrijker dan trouw aan de kerk
In de Middeleeuwen voelden veel mensen zich geen bewoner van hun land, maar inwoner van een dorp of stad. Daarnaast waren zij vooral Christenen, dus lid van de kerk. Tijdens de opkomst van nationale staten, vanaf de 16de eeuw, veranderden veel mensen van gedachten. Meer mensen werden trouw aan hun eigen land en hun koning, en minder trouw aan de kerk. Vorsten wilden in hun land een scheiding tussen kerk en staat. Volgens de regels van de kerk was echtscheiding verboden. Hendrik de VIII maakte zichzelf hoofd van de kerk in Engeland (in 1532). Scheiden was toen geen probleem meer.De edelen waren hier erg tevreden mee. Zij kregen nl. een groot deel van de grond die van de kerk werd afgenomen. - De aantrekkingskracht van het protestantisme op verschillende bevolkingsgroepen
In de 16de eeuw nam de handel sterk toe. In vergelijking met de rijke burgers werd de adel steeds armer. Daarom liet de adel de boeren nog meer belasting betalen. In de 16de eeuw nam ook de bevolking sterk toe. Als gevolg daarvan leed de arme bevolking vaak honger. Op al deze bevolkingsgroepen oefende het protestantisme aantrekkingskracht uit:
De adel: in protestantse landen werd een deel van het kerkelijk grondbezit verdeeld onder de edelen. Hun rijkdom kon daardoor weer toenemen
De rijke burgers: zij bewonderden vooral de eenvoudige manier van leven en het harde werken van de protestanten.
De boeren en arme bevolking: in deze tijd van honger en armoede ergerden veel arme mensen zich aan de rijkdom van de kerk. Zij voelden zich meer aangetrokken tot het protestantisme, omdat zij het opnamen voor de armen.
Paragraaf 2
De Duitse monnik Maarten Luther (1483-1546) las de boeken van Erasmus. Het verschil tussen Erasmus en Luther is dat Luther de kerk 'aanviel' op de dingen die Erasmus opschreef. Luther ontdekte dat veel gebruiken van de kerk niet in de bijbel stonden, daarom moesten deze gebruiken afgeschaft worden. Hij schreef zijn kritiek op in 95 stellingen. Velen waren het met hem eens, de kerk echter niet. De paus deed Luther in de ban. Luther kreeg echter steun van enkele vorsten. Zijn opvattingen waren:
- De Bijbel is de enige bron van het geloof
- Elke gelovige heeft recht om de bijbel te lezen en uit te leggen
- Het pausschap, het celibaat, veel sacramenten, de verering van heiligen en de kloosterorden moeten worden afgeschaft, omdat hierover niets in de bijbel staat
- De mens kan alleen in de hemel komen door geloof
- De handel van de kerk in aflaten moet worden afgeschaft
- De vorst is in elke staat het hoofd van de kerk
- Onderdanen moeten de vorst gehoorzamen.
Deze laatste twee punten waren voornamelijk aantrekkelijk voor vorsten. Voor de vorsten waren er echter nog meer voordelen:
- Als de kloosterorden werden afgeschaft konden de vorsten hun bezittingen overnemen
- Karel de V, in 1519 keizer van het Duitse rijk, wilde eenheid tussen de Katholieke kerk. Ook wilde hij zijn macht vergroten. De Duitse vorsten wilden echter zelf hun macht kunnen uitoefenen.
- Daarom kozen zij voor de laatste vier punten van het Lutheranisme.
Luther vond dat elke gelovige de bijbel op zijn/haar manier mocht uitleggen. In 1524 kwam er een boerenopstand. De Duitse boeren hadden uit de bijbel gehaald dat zij recht op vrijheid hadden. Maar Luther koos voor de vorsten. Hij vond dat de boeren 'als dolle honden' moesten worden neergeschoten. In 1525 werd de opstand op bloederige wijze onderdrukt.
Paragraaf 3
Onder invloed van het succes van Luther kwamen er ook andere hervormers. Van hen kreeg de Fransman Johannes Calvijn (1509-1564) de meeste aanhang. De stad Genève werd onder zijn leiding "hervormd". Later kregen zijn opvattingen vooral in Frankrijk, Schotland en Nederland aanhang.
De opvattingen van Calvijn verschilden op de volgende punten op die van Luther:
- Ook calvinisten waren ervan overtuigd dat alleen geloof de mens in de hemel kon brengen, alleen zij geloofden ook dat alleen een kleine groep mensen daarvoor was uitverkoren. Volgens Calvijn was ieder mens "voorbestemd". Dat kon men aan zijn / haar gedrag merken.
- Anders dan de Lutheranen organiseerden de calvinisten zich 'van onder af'. Iedere 'gemeente' bestuurde zichzelf door een raad van gekozen 'ouderlingen'. Godsdienstige vraagstukken werden besproken in een kerkvergadering (synode) van afgevaardigden van de gemeenten. Daardoor konden calvinistische gemeenten zich beter handhaven in een vijandige omgeving dan de lutheranen.
- Als een vorst 'Gods gebod' overtrad, was verzet tegen hem toegestaan.
Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!