Samenvatting hoofdstuk 9

Paragraaf 9.1
België en Nederland en Luxemburg was rond 1550 De Nederlanden bestaande uit 17 gewesten waarvan Brabant, Holland en Vlaanderen de belangrijkste waren. De Nederlanden werden door Karel V (onze heer) bestuurd die niet alles te vertellen had want de gewesten hadden allen een eigen bestuur. Hij moest veel vragen bij de gewestelijke staten, een vergadering van de adel de geestelijkheid en de burgers. Om snel met de gewesten te kunnen overleggen liet hij vertegenwoordigers van de gewesten komen om te vergaderen, De Staten-Generaal. Als de heer weg was liet hij het bestuur aan een landvoogd, in Nederland Margaretha van Parma.

Karel V wilde in Brussel 2 dingen bereiken:

Ook zijn opvolger, zijn zoon Filips de tweede, wilde dat.

Dit gaf veel tegenwerking: Een aantal edelen sloot zich bij elkaar aan bij het verbond van edelen omdat ze het er niet mee eens waren. De adel en De rijke burgers konden nu geen macht uit de gewesten uitoefenen op de regering en de arbeiders en ambachtslieden kregen nu geen gehoor meer, waar ze ook over klaagden. De meerderheid van de katholieke bevolking was het ook niet eens met het vervolgen van protestanten.

Filips gaf hier geen gehoor aan en de onrust werd groter. Men begon te protesteren door o.a. bijeenkomsten onder calvinisten te organiseren. Toen ze vonden dat het genoeg was brak de beeldenstorm uit: Men vernielde talloze kerken en nam al het kostbare mee.

Veel mensen schrokken en waren het hier niet mee eens. Zij kozen weer de kant van Filips. Er kwam een nieuwe landvoogd die veel strenger was met een leger: De hertog van Alfa. Hij moest er voor zorgen dat:

Hij kwam in 1567 aan de macht en hield zich aan de opdracht. Hier werd fel tegen geprotesteerd.

Holland en Zeeland kwamen in opstand onder leiding van Willem van Oranje. Hij vond wat er met de protestanten gebeurde verschrikkelijk. Hij wou:

Hij organiseerde de opstand vanuit het Duitse rijk. Deze opstand is later de tachtigjarige oorlog (1568-1648) genoemd. Willem waagde tweemaal een aanval maar verloor van Alfa. In 1972 hadden de Watergeuzen wel succes. Ze veroverden Den Briel en gebruikten dat als steunpunt. Steeds meer steden sloten zich aan bij de opstandelingen. Ze wonnen en Alfa werd opgevolgd door Requesens. De opstandelingen namen een paar belangrijke beslissingen in 1972 o.a. dat men een eigen godsdienst mocht kiezen en dat Willem van Oranje stadhouder van Holland werd. Deze besluiten waren geheel tegen de Spaanse in. Met de aanval van 1572 waren Holland en Zeeland officieel in verzet gekomen.

Steeds meer gewesten verzetten zich tegen de Spanjaarden die zonder leider zaten omdat Requesens plotseling stierf. De soldaten sloegen aan het plunderen omdat ze lange tijd geen geld hadden ontvangen. Toen vonden alle gewesten dat het niet verder kon: Ze sloten in 1576 vrede: de Pacificatie van Gent.

Alles leek erop dat de Nederlanden een land zouden vormen, toch gebeurde dit niet (Nederland en België) Waarom?

De zoon van Willem, Maurits kreeg het leger in handen en veroverde veel land ( Noord Brabant en Zeeuws Vlaanderen) terug en verbeterde het leger ook behoorlijk.

Na een tijdje waren de partijen tevreden en sloten ze de vrede van Munster. Dit betekende het einde van de 80-jarige oorlog. Dit hield in:

De gevolgen na de opstand:

Paragraaf 9.2
In de Republiek had Holland de meeste invloed in de Staten-Generaal omdat ze de meeste belasting betaalde. Drenthe had geen invloed omdat het volgens de andere niet belangrijk was (1% belasting).

Generaliteitslanden: Landen die geen eigen bestuur hebben maar door Staten-Generaal (door de andere gewesten) worden bestuurd. In De Republiek: Zeeuws-Vlaanderen, Noord-Brabant en delen van Limburg.

De regenten vormen maar een klein deel van de bevolking maar ze hadden bijna alle macht. Ze werden ook wel patriciërs of als groep patriciaat genoemd. Ze vormden een eenheid ook al had je niet-adellijke (rijke burgers in steden) en adellijke regenten (vaak op platteland).

Er waren vaak conflicten tussen raadspensionarissen en stadhouders (vaak die van Holland). Het ging vak over macht. De stadhouder wou meer macht, raadspensionarissen wouden het zou houden. Als er oorlog was en het leger won was dit een kans voor de stadhouder om zijn invloed groter te maken omdat hij opperbevelhebber van het leger was.

Paragraaf 9.3
De bevolkingslagen:

Regenten of patriciërs:

Tot de regenten behoorden 9000 mensen (2% van de bevolking). Ze lieten de anderen geen invloed uit oefenen op het bestuur.

Gegoede burgerij:

Ze waren vaak even rijk, hadden dezelfde beroepen maar drongen toch nooit de groep van regenten binnen.

Kleine burgerij:

Deze groep was erg groot. Ze konden vaak goed rondkomen maar sommigen waren even rijk als gegoede burgerij terwijl anderen niet rond konden komen.

Het gemeen (het gewone volk)

Dit waren mensen zonder bezit. In de steden waren ze 75% van de bevolking. Wie werk had kon nog een beetje rond komen maar de werklozen hadden het zwaar. Door te bedelen en hulp van de Kerk en stadsbestuur konden zij in leven blijven. Mensen uit hogere bevolkingslagen keken op ze neer: ze werden het grauw of Jan Hagel genoemd.

Veel mensen vonden de lagen normaal. De Calvinisten dachten hier anders over. Ze vonden dat je door zuinig en hard werken in een andere bevolkingslaag kon komen. In de loop van de 17e eeuw werden de verschillen tussen de lagen groter en was het erg moeilijk om nog naar andere lagen te klimmen. De regenten sloten zich af door hun kinderen alleen te laten trouwen met kinderen van andere regenten.

De rol van vrouwen:


Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!