Samenvatting paragraaf 7.1
In elke kolonie leefden meestal verschillende volken, elk met een eigen cultuur. Pas door het kolonialisme kregen de mensen in een kolonie een gemeenschappelijk verleden. In alle koloniën ontstonden kleine nationale bewegingen die op korte termijn dekolonisatie wilden: het onafhankelijk worden van een kolonie. In de 20ste eeuw groeide hun aanhang.
De volgende omstandigheden droegen van binnenuit bij tot de groei van nationalistische bewegingen:
- Door westers onderwijs in de koloniën leerde de bevolking de begrippen democratie, gelijkheid, vrijheid en nationalisme kennen.
- Missionarissen en zendelingen gaven lees in eigen cultuur aan de bevolking.
- Onderdrukking door het opdringen van een ander bestuur, ander werk, een andere godsdienst en het ongelijk behandelen van de bevolking.
De volgende omstandigheden van buitenaf speelden een rol:
- Tijdens de Tweede Wereldoorlog kregen nationalisten de hoop de koloniale overheersers te kunnen overwinnen, en bleken zij hulp van de koloniën nodig te hebben (in de vorm van bijvoorbeeld voedsel, tin, rubber en manschappen);
- Na de Tweede Wereldoorlog kwam er een verschuiving van de machtscentra in de wereld: de VS en de SU kregen het voor het zeggen. Net als de VN waren zij voor dekolonisatie.
- Er waren stimulerende voorbeelden van dekolonisatie in Azië en Afrika, zoals Gandhi in Brits-Indië en Kwame Nkroemuh in Goudkust.
- Koloniale mogendheden kwamen tot het inzicht dat het koloniale tijdperk ten einde liep. Zij maakten liever afspraken met de nationalistische leiders dan een dure oorlog te beginnen.
Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!