Samenvatting paragraaf 7.2
Door de komst van de Europeanen was de Indiaanse bevolking in Latijns-Amerika sterk gedaald. Europeanen en Afrikanen (slaven) gingen de meerderheid van de bevolking vormen.
Vanaf de tweede helft van de 18de eeuw kwamen Indianen en slaven in opstand. Haïti werd de eerste onafhankelijke staat in Latijns-Amerika (1804).
In de koloniale tijd bepaalde afkomst tot welke bevolkingsgroep men behoorde:
- In Europa geboren blanken vormden de bovenlaag. Zij hadden de belangrijkste functies.
- Creolen (in Amerika geboren blanken) vormden de middenlaag. Zij waren landeigenaren, ondernemers, kooplieden of hadden een plaatselijke bestuursfunctie.
- De Indianen vormden de derde laag. Zij werkten als boeren, landarbeiders of mijnwerkers.
- De Afrikaanse slaven vormden de benedenlaag. Zij werkten op de plantages en hadden geen rechten.
De positie van mestiezen en mulatten hing ervan af of ze door hun blanke vader werden erkend.
Spaans-Amerika viel uiteen doordat de verschillende gebieden waaruit het bestond, na opstanden tot zelfstandige staten werden uitgeroepen.
In Brazilië eisten Creolen in 1822 de onafhankelijkheid. De zoon van de Portugese koning was het met hun eens en riep de onafhankelijkheid uit.
Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!