Samenvatting hoofdstuk 3: de Eerste Wereldoorlog (1914-1918)
Directe oorzaak van de Eerste Wereldoorlog (aanleiding)
Op zondag 28 juni 1914 kwamen aartshertog Frans-Ferdinant, de troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije, en zijn echtgenote, hertogin Sophie, op bezoek in Sarajevo, de hoofdstad van Bosnië.
Oostenrijk-Hongarije had in 1878 de Turken uit Bosnië verdreven en had het gebied in 1908 als provincie ingelijfd. Dit had grote onvrede gewekt bij de Serviërs in Bosnië. De Serviërs hoorden tot de Slavische volken. De staat Servië steunde het streven naar onafhankelijkheid van de Slavische bevolkingsgroepen die onder Oostenrijks-Hongaars bestuur leefden. Met voorkennis van de Servische regering organiseerden Serviërs in Bosnië nationalistische groepen. (Voorliefde voor het eigen volk). Toen Frans-Ferdinant en Sophie op 28 juni een autorit door de stad maakten, werden zij dodelijk getroffen door revolverschoten, afgevuurd door de 19-jarige student Gavrillo Princip. Hij hoorde tot de nationalistische groep "De zwarte Hand".
Vijf weken later was Europa in oorlog. Hoe kon een moord uitmonden in een wereldoorlog?
"Wenen"(de Oostenrijks-Hongaarse regering)wilde ervoor zorgen dat Servië zich niet meer zou bemoeien met de Slavische nationalistische bewegingen. Maar Wenen hield er ook rekening mee dat de grote Slavische staat Rusland Servië te hulp zou komen. Wenen zocht dus steun bij de regering van Duitsland. Toen Duitsland die steun onvoorwaardelijk gaf, stuurde Wenen aan Servië een ultimatum met harde eisen. Rekenend op de steun van Rusland keurde Servië een deel van het ultimatum af. Op 28 juli 1914 verklaarde Oostenrijk-Hongarije daarop de oorlog aan Servië. Toen kwam een kettingreactie van mobilisaties (gevechtsklaar maken) en oorlogsverklaringen op gang:
- Rusland mobiliseerde troepen bij de grenzen met Oostenrijk-Hongarije en Duitsland. Nog dezelfde dag, 1 augustus, verklaarde Duitsland de oorlog aan Rusland.
- Frankrijk (bongenoot van Rusland), besloot onmiddellijk daarop te mobiliseren. Voor Duitsland was dit de aanleiding om Frankrijk de oorlog te verklaren (3 augustus).
- Toen de Duitsers België binnenvielen (om zo Frankrijk te kunnen aanvallen), verklaarde Engeland de oorlog aan Duitsland (4 augustus).
Dieperliggende oorzaken van de Eerste Wereldoorlog
Het nationalisme van verschillende volken leidde in de 19de en het begin van de 20ste eeuw tot grote spanningen en vaak tot conflicten. In Frankrijk wilden de nationalisten na de nederlaag in de oorlog van 1870 tegen Duitsland niets liever dan een revanche. De Duitse regering streefde naar een grotere invloed van Duitsland in de wereld. Dit streven werd wantrouwend bekeken door de andere West-Europese landen. Op de Balkan zorgde het nationalisme van de slaven voor spanningen.
Aan het begin van de 20e eeuw stonden vooral Engeland, Frankrijk en Duitsland herhaaldelijk met elkaar op gespannen voet als gevolg van het imperialisme (het streven om een groot koloniaal rijk op te bouwen). Frankrijk en Duitsland wilden zich niet neerleggen bij het Engelse overwicht (meerdere macht of invloed) in de niet-westerse wereld. De Engelsen wilden hun overwicht niet kwijtraken. Tussen Engeland en Frankrijk kwam een verzoening tot stand (1904), tussen Engeland en Duitsland niet.
Rond 1900 vonden de Europese regeringen een sterk leger noodzakelijk. Zij streefden ook naar een dappere/strijdvastige geest onder de hele bevolking. Iedereen moest bereid zijn voor het vaderland eventueel zijn leven te geven. Deze overwaardering van het leger en de militaire geest wordt militarisme (militaire invloed) genoemd.
Voor zowel het nationalisme, imperialisme als het militarisme was een sterk leger vereist. Als men een sterk leger had, stond men ook bij een vreedzame regeling van conflicten sterk. Daarom gingen de regeringen steeds meer geld uitgeven voor de versterking van hun leger. Zo ontstond er een bewapeningswedloop (het aanschaffen van steeds meer en betere wapens door de ene partij en daarom ook door de andere). En op zijn beurt versterkte deze wedloop voor de vrees voor elkaar.
Door nationalisme, imperialisme, militarisme en bewapeningswedloop nam onder de Europese staten de angst voor elkaar toe. Daarom gingen regeringen op zoek naar bondgenoten (medelid van een verbond/medestander). Men dacht dat niemand een oorlog zou durven beginnen, als men wist dat het aangevallen land kon rekenen op steun van bondgenoten. Maar door de bondgenootschappen (overeenkomst/ verbond tussen staten) werd de kans op een groot conflict juist groter. Omdat de regeringen bondgenoten hadden, gedroegen zij zich onvoorzichtiger. Ook kon onenigheid tussen twee landen uitgroeien tot een groot conflict doordat beide landen bondgenoten hadden.
Sinds de val van Napoleon waren de politieke leiders van Europa er bijna in geslaagd onderlinge conflicten vreedzaam op te lossen. In 1914 maakten zij drie ernstige fouten:
- Ze dachten ook nu elk conflict in de hand zouden kunnen houden.
- Ze dachten dat de bondgenootschappen de staten ervan zouden weerhouden een oorlog te beginnen.
- Ze dachten dat een oorlog niet lang zou duren, dat de verliezen beperkt zouden zijn en dat de burgerbevolking erbuiten zou blijven.
Alle betrokkenen gaan enthousiast de oorlog in
De oorlogsverklaringen hadden elkaar snel opgevolgd in de eerste week van augustus 1914. Iedereen voelde zich overrompeld. De eerste schrik bij de bevolking maakte al snel plaats voor enthousiasme, aangemoedigd door regeringsleiders en pers.
Hoe valt dit enthousiasme te verklaren? In de eerste plaats hadden nationalisme en militarisme de vaderlandsliefde en de strijdlust aangespoord. Men was overtuigd van het eigen gelijk en men was bereid te vechten voor wat men rechtvaardig vond. In de tweede plaats dacht men in elk land dat men ik korte tijd zou winnen. De Fransen hoopten Kerstmis in Berlijn te kunnen vieren. Wilhelm II (koning van Pruisen en keizer van het Duitse Rijk) beloofde zijn soldaten dat ze weer thuis zouden zijn voordat de bladeren vallen.
Duitse leger onderdrukt Belgisch verzet op wrede wijze
In 1914 viel het Duitse leger België aan, met het doel snel door te stoten naar Frankrijk.
De onverwacht sterke tegenstand van de Belgen ergerde het Duitse opperbevel(leiding van het leger) zeer. Bovendien had het leger een panische angst voor "francs-tireurs" (burgers die op soldaten schieten). Als strafmaatregelen besloot het Duitse opperbevel daarom tot brandstichting, deportatie (vervoeren naar straf- en concentratiekampen) en doodschieten.
Er wordt door meer soldaten, meer volken en op meer plaatsen in de wereld gevochten dan ooit tevoren
Het woord wereldoorlog suggereert dat de hele wereld aan deze oorlog meedeed. Dat was niet het geval. De meeste strijd vond in West- en Oost Europa plaats. Maar veel Europese landen-waaronder Nederland- deden niet mee. Buiten Europa werd er slechts in weinig gebieden gevochten. Toch werd er meer gevochten dan ooit tevoren.
Niet alleen buiten, maar ook binnen Europa leverden Afrikanen en Aziaten uit de koloniën een bijdrage aan de strijd aan of achter het front (gevechtsterrein). Afrikaanse soldaten maakten deel uit van het Franse leger en Brits-Indische van het Engelse leger. Het Franse leger in Noord-Frankrijk bestond voor 30% uit Afrikanen. Buiten Europa namen de Geallieerden zonder veel strijd de meeste Duitse koloniën in bezit. Door de Engelse overmacht ter zee kon vanuit Duitsland geen hulp geboden worden. Vanuit India vielen Engelse en Brits-Indische troepen het Ottomaanse (Turkse) rijk aan. Zij kregen daarbij steun van Arabische volken die door de Ottomaanse Turken werden overheerst (machthebber).
Aan het westelijke front ontstaat jarenlange loopgravenoorlog
Toen de Geallieerden de opmars van de Duitse legers in de herfst van 1914 in België en Frankrijk tot stilstand wisten te brengen, mondde de strijd uit in een loopgravenoorlog.
Over een breedte van ruim 500 km groeven de soldaten zich tegenover elkaar in. Maandenlang leefden de soldaten in de loopgraven.
Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!