De samenleving in de vroege Middeleeuwen

Bijna iedereen leefde op het platteland. De meeste mensen leefden in armoedige omstandigheden, waren vaak ziek en meestal ondervoed. De mensen hadden sterk het gevoel dat ze tot de groep behoorden waarmee ze samenleefden.

Een domein was een dorp met het land in de omgeving. Eigenaar van een domein was een edelman, een bisschop of een klooster.

Ruim 90% van de bevolking werkte op een domein.

De bewoners van een domein kunnen in twee groepen worden verdeeld:

  1. vrije boeren
  2. horigen

Binnen de tweede groep waren grote verschillen in gelaagdheid:

De edelen werkten niet zelf op het land. Zij leefden van de arbeid van de boeren. In ruil daarvoor vervulden ze andere taken:

Ook over de edelen bestond gelaagdheid. De edelen kunnen worden verdeeld in hoge en lage adel. De meeste edelen behoorden tot de lage adel.

De koning had in de vroege Middeleeuwen weinig macht. De meeste van zijn domeinen had hij in leen gegeven aan hoge edelen. Deze hoge edelen luisterden alleen naar de koning als zij er zin in hadden. Ook de hoge edelen gaven een of meer domeinen te leen aan adelen. Zij waren dus tegelijk leenman en leenheer.

Naast de boeren en de edelen waren de geestelijken een belangrijke bevolkingsgroep. Deze groep kan worden verdeeld in:

  1. Seculiere geestelijken (de kerk)
  2. Reguliere geestelijken (volgens regels / klooster)

Seculiere geestelijken zijn de paus, de bisschoppen en de priesters. Zij leven tussen de andere mensen, niet in afzondering. Van laag naar hoog waren er de volgende groepen:

Reguliere geestelijken zijn monikken en nonnen. Zij leven in kloosters. Aan het hoofd van een klooster staat een abt of abdis. De kloosterlingen (mensen in kloosters) leven volgens regels voor wat betreft bidden, werken, eten, slapen, kleding, enzovoort. De reguliere geestelijken zijn allemaal lid van een kloosterorde.

Omdat iedereen lid was van de kerk, konden de geestelijken iedereen via de preekstoel beïnvloeden.

Tot in de late Middeleeuwen waren geestelijken bijna de enigen die konden lezen en schrijven. En alleen de geestelijken konden nieuws vertellen, omdat alleen zij regelmatig contact hadden met de wereld buiten het domein.

In de Middeleeuwen geloofden de mensen dat het leven op aarde een voorbereiding was op het leven na de dood. Het was de taak van de geestelijken de mensen hierbij te helpen.

Geestelijken waren nodig in het besturen van het land (opstellen van wetten en verdragen) en bestuurden zelf ook een deel van het land.

De paus kon iedereen, ook koningen, in de ban doen.

De kerk was heel rijk, doordat Christenen een tiende van hun inkomsten door speciale belastingen aan de kerk gaven.

Alleen geestelijken schreven boeken. En zij schreven dan over dingen die godsdienstig nut hadden.

In de vroege Middeleeuwen lag het in de meeste gevallen al bij je geboorte vast of je tot de groep van de boeren of van de edelen zou horen. Je kon alleen uit je groep komen door geestelijke te worden.


Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!