Samenvatting hoofdstuk 2
Paragraaf 1:
Stoffen herkennen
Je kunt stoffen aan de volgende eigenschappen herkennen:
- kleur
- geur
- smaak
- brandbaarheid
Stoffen en veiligheid
Een stof kan gevaarlijk zijn als je:
- de stof inademt
- de stof inslikt
- de stof op je kleren, je huid of in je ogen krijgt
- er met vuur bijkomt
- de stof met een andere stof mengt
Paragraaf 2:
Metalen
Voorbeelden: staal, aluminium, koper, goud, zilver, chroom, zink, lood messing en tin
Voorwerpen die van metaal gemaakt zijn:
- kunnen verbogen of ingedeukt worden, maar zullen niet snel breken
- zijn niet doorzichtig
- kunnen vaak slecht tegen bijtende stoffen
Verschillen tussen metalen
- sommige metalen worden niet aangetast door lucht en vocht, zoals zilver en goud, andere wel, zoals ijzer
- sommige metalen zijn zacht en gemakkelijk te vervormen, zoals lood, andere zijn veerkrachtig, zoals staal
- sommige metalen zijn licht, zoals aluminium, andere zwaar, zoals lood en kwik
- sommige metalen smelten al bij lage temperatuur (zoals lood bij 328 °C) en andere smelten pas bij hoge temperatuur (zoals ijzer bij 1535 °C)
- ijzer en nikkel worden aangetrokken door een magneet, andere niet
Overeenkomsten tussen metalen
- ze glanzen
- ze geleiden elektriciteit
- het zijn goede warmtegeleiders
Glas
Voorwerpen van glas:
- zijn doorzichtig
- worden niet aangetast door bijtende stoffen
- kun je niet indeuken of buigen, maar zijn erg breekbaar
- hebben een glad oppervlak dat goed schoon te maken is
Kunststoffen
PE = polyetheen
PS = polystyreen
PP = polypropeen
PET = polyester
PMMA = polymethylmethacrylaat (plexiglas)
PVC = polyvinylcholide
Keramische metalen
Voorbeelden: steen, tegels, dakpannen, borden, kopjes, schotels, schalen
Voorwerpen van keramische metalen zijn gebakken in een oven. Daardoor zijn ze hard, maar ook breekbaar geworden.
Voorwerpen die van een keramisch metaal gemaakt zijn:
- kun je niet buigen of indeuken, maar zijn wel breekbaar
- zijn niet doorzichtig
- zijn goed bestand tegen hoge temperaturen
- zijn goed bestand tegen bijtende stoffen
Paragraaf 3:
Massa
De massa van een voorwerp of hoeveelheid stof meet je met een balans of een weegschaal in de eenheid gram (g) of kilogram (kg). Hoe groter de massa, hoe zwaarder het voorwerp.
Onthouden:
1 ton = 1000 kilogram
1 kilogram = 1000 gram
1 gram = 1000 milligram
Volume
Het volume van een voorwerp is de ruimte die dat voorwerp inneemt. Bij een rechthoekig voorwerp zijn dat de lengte x de breedte x de hoogte, oftewel
l x b x h = V
Onthouden:
1 m³ = 100 dm³
1 dm³ = 100 cm³
1 m³ = 1000 dm³
1 dm³ = 1000 cm³
Het volume van vloeistoffen
De eenheid liter (L) wordt alleen voor vloeistoffen gebruikt. 1 liter is evenveel als
1 dm³. Hieruit volgt dat 1 milliliter (mL) evenveel is als 1 cm³. Het volume van een hoeveelheid vloeistof kun je bepalen met een maatglas of maatcilinder.
Onthouden:
1 L = 1000 mL
1 L = 100 cL
Paragraaf 4:
De dichtheid van een stof
Om aan te geven hoe zwaar een stof is wordt het begrip dichtheid gebruikt. De dichtheid van een stof is het aantal gram per cm³ van die stof.
Dichtheid is een stofeigenschap: elke stof heeft zijn eigen dichtheid.
De dichtheid bepalen
- neem een voorwerp of een hoeveelheid van die stof
- bepaal de massa en het volume
- deel de massa door het volume
- denk aan de eenheid bij je antwoord!
Met de volgende formules kun je respectievelijk de dichtheid, het volume en de massa uitrekenen:
Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!