Samenvatting hoofdstuk 1
Scheikunde of chemie is de wetenschap die zich bezighoudt met stoffen. Met stoffen bedoelen we alle materie, zoals water, zuurstof, zeep, zout, ijzer en benzine.
Door waar te nemen kun je stoffen van elkaar onderscheiden. Je neemt waar door te kijken, te ruiken, te voelen en te horen. Uit waarnemingen trek je conclusies. Daarbij gebruik je je hersenen. Dankzij de scheikunde zijn er veel nieuwe stoffen ontwikkeld. Hierdoor is onze welvaart en ons welzijn sterk toegenomen. Als bij de productie van stoffen afval ontstaat, moeten we daar zorgvuldig mee omgaan.
Een mengsel bevat minstens 2 stoffen door elkaar. Er zijn verschillende soorten mengsels:
- oplossing: een stof opgelost in een vloeistof
- suspensie: een fijn verdeelde vaste stof in een vloeistof
- emulsie: een fijn verdeelde vloeistof in een vloeistof
Een oplossing ontstaat als je een stof(vast, vloeibaar, gas) in een vloeistof brengt. Wij gebruiken meestal water. Dit noemen we het oplosmiddel. Als de maximale hoeveelheid stof is opgelost, is de oplossing verzadigd.
Als je een oplossing van een vaste stof in water hebt, kun je de vaste stof weer terugkrijgen door deze oplossing in te dampen. Het water verdwijnt en de vaste stof blijft dan over.
Een zuivere stof is één stof, dat wil zeggen, geen mengsel.
Zuiver heeft in de scheikunde een andere betekenis dan in het dagelijks leven. In het woordenboek vind je omschrijvingen als helder en schoon.
Zuivere lucht betekent bijvoorbeeld dat deze lucht niet verontreinigd is met giftige of gevaarlijke stoffen. Maar zuivere lucht is geen zuivere stof! Het is een mengsel van onder andere zuurstof en stikstof.
Elke stof kun je herkennen aan zijn stofeigenschappen. Voorbeelden van stofeigenschappen zijn fase, kleur en geur. De toevallige vorm, de hoeveelheid(massa en volume) van de stof zijn hierbij niet van belang. Vorm, massa en volume zijn dan ook géén stofeigenschappen.
Een zuivere stof en een mengsel kun je van elkaar onderscheiden door te kijken wat er met de temperatuur gebeurt bij een faseovergang.
Als de temperatuur tijdens het koken constant blijft, heb je te maken met een zuivere stof. Als de temperatuur verandert, is het een mengsel. We zeggen dat een zuivere stof een smeltpunt en een kookpunt heeft. Een mengsel heeft een smelttraject en een kooktraject.
De metalen hebben een aantal overeenkomstige eigenschappen: het zijn meestal vaste stoffen, die stroom geleiden en een glanzend uiterlijk hebben. Je kunt metalen in 3 groepen verdelen:
- Zeer onedele metalen (natrium)
- Onedele metalen (ijzer)
- Edele metalen (goud)
Alleen de edele metalen komen voor in de grond. De andere metalen komen niet zuiver voor op aarde. Zij moeten worden bereid uit ertsen. Zo wordt bijvoorbeeld ijzer gewonnen uit ijzererts en aluminium uit aluminiumerts.
Als je verschillende metalen in gesmolten toestand mengt, krijg je een legering (ook wel alliage genoemd). Een legering heeft heel andere eigenschappen dan de metalen afzonderlijk.
Schoonmaakmiddelen en oplosmiddelen kunnen heel gevaarlijk zijn. Om je hiervoor te waarschuwen, staat op het etiket een pictogram. Een pictogram laat bijvoorbeeld zien of de inhoud van de fles brandbaar of explosief is.
Je hebt zure, neutrale en basische vloeistoffen. Als de vloeistoffen erg zuur of basisch zijn, zijn ze gevaarlijk. De pH geeft aan hoe zuur of hoe basisch een vloeistof is. De pH is een getal. Zure vloeistoffen hebben een pH kleiner dan 7. Basische vloeistoffen hebben een pH groter dan 7.
Vloeistoffen met een pH in de buurt van 7 zijn neutraal. Vloeistoffen met een pH kleiner dan 2 of groter dan 12 zijn erg agressief.
Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!