Samenvatting hoofdstuk 2
Afval kunnen we op verschillende manieren verwerken. We kunnen het op een stortplaats gooien, verbranden of recyclen. We moeten het dan sorteren. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij papier en glas.
Bij filtreren laten we een suspensie door een filter lopen. De vaste deeltjes kunnen niet door de filter heen en blijven achter op de filter: het residu. De vloeistof loopt wel door de filter: het filtraat. Een oplossing kun je niet filtreren omdat het een vloeistof is. De opgeloste stof loopt met de vloeistof door het filter.
Bij centrifugeren wordt een suspensie in een centrifuge heel snel rondgedraaid. Hierdoor zakken de vaste deeltjes naar de bodem en kunnen we na afloop de bovenstaande vloeistof afschenken.
Bij destilleren verwarm je een oplossing van een vaste stof of een vloeistof in een destillatieopstelling. De stof met het laagste kookpunt verdampt en kun je opvangen. Dit noemen we het destillaat en dit is een zuivere stof. De stof die in de kolf achterblijft, is het residu.
Als je een mengsel van vloeistoffen destilleert, krijg je alleen een goede scheiding als de vloeistoffen voldoende verschillen in kookpunt.
Extraheren gebruik je om een mengsel van vaste stoffen te scheiden. Je voegt aan het mengsel een oplosmiddel toe waarin één bestanddeel van het mengsel wel oplost en de andere niet. Door daarna te filtreren en in te dampen heb je de vaste stoffen van elkaar gescheiden. Zo kun je een mengsel van zout en zand van elkaar te scheiden door water als extractiemiddel te gebruiken. Zout lost op in water en zand niet. Door te filtreren hou je het zand als residu over. Als je het filtraat indampt, hou je het zout over.
Veel gebruikte extractiemiddelen zijn water, wasbenzine en alcohol.
Bij adsorberen hecht een kleurstof zich aan het oppervlak van het adsorptiemiddel. Zo kun je een opgeloste kleurstof met bijvoorbeeld silicagel verwijderen. Je voegt de silicagel dan toe aan het water en schudt goed. Daarna ga je filtreren en de silicagel blijft met de kleurstof achter in de filter. Voorbeelden van adsorptiemiddelen zijn silicagel, norit en bleekaarde. Voor een goede adsorptie is het belangrijk dat het oppervlak van het adsorptiemiddel heel groot is. Je moet adsorptiemiddelen voor gebruik dan ook verpoederen.
Met chromatograferen kun je onderzoeken uit welke kleuren een bepaalde viltstiftkleur bestaat.
Je gebruikt een loopvloeistof en papier. Als loopvloeistof kun je bijvoorbeeld water of alcohol gebruiken.
De kleurstof die goed in de loopvloeistof oplost en slecht aan het papier hecht, komt hoog op het filtreerpapier. De kleurstof die slecht in de loopvloeistof oplost en goed aan het papier hecht, komt laag op het papier. Op deze manier kun je een mengsel van kleurstoffen van elkaar scheiden. Het resultaat is een chromatogram.
Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!