Samenvatting hoofdstuk 6
We nemen aan dat moleculen de kleinste deeltjes van een stof zijn. We stellen ons moleculen voor als bolletjes. Iedere stof is opgebouwd uit zijn eigen molecuulsoort. Zo bestaat water uit watermoleculen en suiker uit suikermoleculen. Alle moleculen van één soort zijn hetzelfde.
Met dit molecuulmodel kunnen we de drie fasen beschrijven.
Een vaste stof bestaat uit moleculen die zich op een vaste plaats dicht bij elkaar bevinden. We nemen aan dat dit komt omdat ze elkaar aantrekken. Deze aantrekkende krachten tussen moleculen noemen we vanderwaalskrachten. In de vaste fase trillen moleculen. Tussen de moleculen is niks.
In een vloeistof kunnen de moleculen vrij bewegen en raken ze elkaar.
In een gas bevinden de moleculen zich op een grote afstand van elkaar en bewegen kriskras door elkaar.
Volgens het atoommodel van Dalton zijn:
- moleculen opgebouwd uit nog kleinere deeltjes: atomen
- atomen onveranderlijke, harde bolletjes en niet te vernietigen
- alle atomen van één soort aan elkaar gelijk
Je tekent een atoom als een rondje met een symbool erin.
Een molecuul is een bij elkaar horende groep atomen.
Een molecuul van een niet ontleedbare stof bestaat uit één soort atomen en een molecuul van een ontleedbare stof bestaat uit twee of meer soorten atomen.
Een ontleedbare stof word ook wel verbinding genoemd.
Bij chemische reacties verdwijnen de moleculen van de beginstoffen en ontstaan nieuwe moleculen van de reactieproducten.
Volgens Dalton is een chemische reactie een hergroepering van atomen.
Stoffen reageren met elkaar in een bepaalde massaverhouding. Als je bij een chemische reactie één van de beginstoffen overhoudt, is deze stof in overmaat aanwezig.
Als je de massaverhouding waarin de stoffen met elkaar reageren weet, dan kun je(met behulp van het vijfstappenplan) uitrekenen hoeveel van welke stoffen er na afloop van de reactie aanwezig zijn.
De molecuulformule geeft de soort en het aantal atomen in een molecuul weer. Uit de formule C4H10 volgt dat een molecuul butaan is opgebouwd uit 4 atomen C en 10 atomen H. De index in de formule geeft het aantal atomen aan. Met een coëfficiënt voor de molecuulformule geef je aan hoeveel moleculen er zijn. (Check bron 27 + 28 voor de molecuulformules die je uit je hoofd moet kennen)
In een molecuultekening kun je zien hoe de atomen in een molecuul gerangschikt zijn.
Een (kloppende) reactievergelijking stel je als volgt op:
- Schrijf het reactieschema op in woorden.
- Schrijf het reactieschema op in molecuulformules met toestandsaanduidingen.
- Maak het reactieschema kloppend door coëfficiënten voor de moleculen te schrijven, zodat links en rechts van de reactiepijl een gelijk aantal atomen van dezelfde soort staat.
- Controleer of de reactievergelijking klopt. Als hulpmiddel voor het opstellen van een reactievergelijking kun je gebruik maken van molecuultekeningen.
Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!