Hoofdstuk 4: Vergilius (uitwerking, vertaling en antwoorden)
Το επος = verhaal, woord
Homerus Ilias, Odyssee (8e eeuw)
Een epos:
- lang verhaal
- held of goden staan centraal
- over gebeurtenissen en daden
- werd eerst door rondreizende zangers (barden) mondeling overgeleverd
- Homerus heeft deze mondelinge overleveringen op schrift gezet
- Metrum (kadansritme). Epos: dactylische hexameter
- Begeleid door muziek
- Stijlfiguren (soms ook rijm)
- Herhaling van vaste formules (epipetha)
13e – 8e eeuw v. Chr. = mythologisch epos
4e eeuw v. Chr. – 1e eeuw n. Chr. = regionale epos
- geschreven literatuur
- interesse voor psyche -> psychologische ontwikkeling
- poeta doctus: auteur laat zien dat hij veel weet
regionale epos
historische epos
epyllion (eposje)
In de Romeinse traditie: Homerus blijft met Ilias en Odyssee het voorbeeld. Maar aemulatio en imitatio.
Dactylische hexameter
Δακτυλος -> voet
Εξ -> zes
Zes dactylen/voeten per regel
Dactyle: - ۷ ۷
Spondee: - -
De laatste voet van een regel is altijd onvolledig.
De ablativus van de o-, en a-declinatie zijn altijd lang.
Ne = of...?
-> antwoord: ...?
Nonne = toch zeker wel?
-> antwoord: ja...
Num = toch zeker niet?
-> antwoord: nee...
Ob + acc. = wegens
Saevus = woest
Fatum = (nood)lot
Prooemium
Ik bezing de wapens en de man, die als eerste vanaf de kusten van Troje, voortgejaagd door het lot, naar Italie en de Lavinische kusten ging, veel heen en weer geslingerd zowel op het land als op zee, door het geweld van de hemelingen, wegens de haatdragende toorn van de woeste Juno, en ook na veel geleden te hebben in oorlog, totdat hij een stad zou stichten en de goden zou overbrengen naar Latum, vanwaar het Latijnse geslacht is ontstaan en de Albaanse vaders en de muren van het hoge Rome.
Muze, breng mij de oorzaken in herinnering, nadat welke goddelijke macht was beledigd of wat betreurend de koningin van de goden de man, voortreffelijk wat betreft zijn plichtsbesef, heeft gedwongen om zoveel lotgevallen mee te maken, naar zoveel ellende te gaan. Zijn de gevoelens van wrok van de goden zo groot?
r. 2 – Italiam = accusativus van richting; vertaal: naar Italie.
r. 2 – Lavinia; Lavinisch, van Lavinum; Aeneas stichtte in Latium de stad Lavinium, vernoemd naar zijn vrouw Lavinia.
r. 4 – superum = superorum.
r.4 – memorem: zich herinnerend, ‘haatdragend’
r. 4 – memorem: ennalage bij Iunonis. Memorem hoort grammaticaal bij iram, maar inhoudelijk bij Iunonis.
r. 9 – deum = deorum
r.11 – Tantaene: -ne betekent ‘of...’. De schrijver weet ook niet of de gevoelens van de goden groot zijn.
VRAGEN (BLZ 80-81)
1
a. De eerste woorden van het Prooemium zijn arma verumque cano. Deze woorden geven de thema’s aan; namelijk oorlog en de man die veel rondzwerft om het nieuwe Rome te stichten.
b. De regels 3 t/m 7 (multum ille et...moenia Romae) geven de inhoud weer van de Aeneis. Bello = oorlog, urbem conderet = een stad zou stichten, iactatus = heen en weer geslingerd/gezworven.
c. oorlog wordt uitgewerkt in boek zeven t/m twaalf. Het zwerven/de avonturen van Aeneas worden beschreven in boek vier t/m zes.
d. de Ilias beschrijft de wrok van Achilles en het einde van de Trojaanse oorlog. De Odyssee beschrijft de tienjarige zwerftocht van Odysseus terug naar zijn vaderland. De Aeneis kan dus worden gezien als een samenvatting van deze twee epen van Homerus. De Aeneis gaat over de inname van Troja (oorlog) en over de zwerftochten van Aeneas.
3
a. Juno stond aan de kant van de Grieken en was niet blij dat Aeneas was ontsnapt. Ze was ook boos op Jupiter, omdat Aeneas van hem een nieuw rijk mag stichten. Zij zorgt er dus meerdere keren voor obstakels voor Aeneas.
b. de reden dat Juno dit deed was wraakzucht (saevae).
4
a. ...geroepen werd naar Italie...
b. Aeneas’ opdracht was om een nieuwe stad te stichten voor het Latijnse volk, nadat hun stad (Troje) was verwoest door de Grieken. Om deze opdracht de voltooien moest hij wel veel zwerven/reizen en vele obstakels zien te overwinnen.
c. het uiteindelijke doel van de goddelijke opdracht is het stichten van Rome.
d. het vele zwerven van Aeneas (en zijn affaire met Dido vormen geen deel van zijn opdracht).
e. de omschrijving weerloze prooi (van godengeweld) geeft aan dat Aeneas er niks aan kan doen dat hij zoveel moet ondergaan.
5
a. Aeneas is de epische held van het verhaal. Twee aspecten van zijn optreden zijn 1) en 2)
b. in negatieve zin er er ten eerste Juno. Zij stond aan de kant van de Grieken en kan het absoluut niet hebben dat Aeneas van Jupiter opdracht heeft gekregen om een nieuwe stad te stichten. Zij verzint daarom allemaal listen en obstakels om ervoor te zorgen dat Aeneas zijn opdracht niet kan voltooien. in positieve zin vormt de god Jupiter een motor in de ontwikkelingen in de Aeneis. Hij zorgt er namelijk voor dat alle obstakelen, die Juno heeft bedacht, uit de weg worden geruimd.
Het houten paard
Allen werden stil en hielden hun gezicht gericht. Vervolgens begon vader Aeneas als volgt vanaf zijn hoge aanligbed: onzegbaar verdriet, koningin, beveel je te vernieuwen, dat de Grieken de Trojaanse macht en het beklagenswaardige koninkrijk hebben verwoest en zeer ellendige dingen, die ik zelf heb gezien en waar ik een groot deel van was.
Wie van die Myrmidoniërs of de Dolopen of welke soldaat van de harde Odysseus onthoudt zich bij het spreken over dergelijke dingen van tranen?
En de vochtige nacht haast zich al door de hemel en de vallende sterren raden slaap aan.
Maar als er zo grote liefde om onze lotgevallen te leren kennen en om (in het) kort te horen over de laatste ramp van Troje, laat ik dan, hoewel mijn geest het huivert zich te herinneren en wegvlucht voor de droefheid, beginnen. De leiders van de Grieken, gebroken door de oorlog en teruggedreven door het noodlot, bouwden, nadat al zoveel jaren voorbij gegleden waren, met de goddelijke kunst van Pallas Athene een paard gelijk aan een berg en ze bedekten het geraamte met gesneden dennenhout; ze deden alsof het een wijgeschenk was in ruil voor de terugkeer; dit gerucht werd verspreid. Heimelijk sloten zij hierin, in een ondoorzichtige flank, een door het lot aanwezen keur van mannen op en binnenin vulden ze de enorme holte, namelijk de buik, met gewapende mannen.
VRAGEN (BLZ 83)
6
a. Aeneas voert twee argumenten aan om het verhaal niet te vertellen. Zijn verhaal zou namelijk infandum zijn, omdat de Grieken de Trojaanse macht en het koninkrijk hebben verwoest (r.4-5).
c. met het signaal woord sed (r. 10) geeft Aeneas toch aan dat hij het verhaal gaat vertellen.
7
a. het onderwerp van het verhaal van Aeneas is Troianas ut opes...eruerint Danai (r. 4-5)
b. infandum dolorem (r. 4) en misserima (r. 5) geven de emotionele lading van het verhaal weer.
c. in de regels 13 t/m 20 wordt een beknopte inhoud weergeven van het begin van het verhaal. Namelijk dat de Grieken met behulp van Pallas Athene een houten paard bouwden en dit als wijgeschenk aan de Trojanen gaven als dank voor de veilige terugkeer. Maar in dit paard zaten gewapende mannen, die uiteindelijk Troje zouden overnemen.
8
a. het verhaal is een ooggetuigen verslag. Dit wordt aangegeven met het tekstelement ipse...vidi (r. 5).
9
a. in de Aeneis 2 is er sprake van een ik-perspectief. Aeneas vertelt namelijk zelf over de verschrikkingen die zijn gebeurd. In Aeneis 4 verandert dit perspectief weer in het vertellersperspectief. Vanaf hier vertelt de verteller weer wat er allemaal gebeurt.
Meningen over het houten paard
Tenedos is in zicht, een zeer bekend eiland door reputatie rijk aan middelen zolang als het rijk van Priamus er nog was, nu slechts een baai en ankerplaats, weinig betrouwbaar voor schepen. Zij verborgen zich op de verborgen kust, na hierheen te zijn weggevaren. Wij waren van mening dat zij weg waren gegaan en met de wind naar Mycene waren gegaan. Dus verloste heel Troje zich van een lange droefheid; de poorten werden geopend, en het deed hun genoegen te gaan en het Griekse legerkamp te zien en de verlaten plekken en de achtergelaten kust: hier was de groep Dolopen, hier was de woeste Achilles gelegerd;
Hier was de plaats voor de vloot, hier hadden de gewoonte in slaglinie te strijden. Een deel verbaast zich over het dodelijke geschenk voor de ongehuwde Minerva. En ze bewonderen het gevaarte van het paard; en als eerste spoort Thymoetes aan dat het binnen de muren wordt gebracht en op de burcht wordt geplaatst, ofwel door een list ofwel omdat de lotbeschikkingen van Troje bestemden het zo voor. Maar Capys en zij, voor de geest van wie een betere mening was, bevelen om of de hinderlaag van de Grieken en het verdachte geschenk in zee te storten en het te verbranden nadat de vlammen eronder zijn geplaatst, of de holtes van de buik te doorboren en de schuilplaatsen te onderzoeken. Het onzekere volk wordt gespleten in tegengestelde gedachten.
r. 30 – ellips (est toevoegen).
r.31 – exitiale = doods. Dramatische ironie: dit woord geeft duidelijk aan wat er gaat gebeuren. De lezer weet namelijk wat er gaat gebeuren, de personen uit het verhaal natuurlijk nog niet.
r. 33 – duci intra muros: woordplaatsing. Binnen de muren geplaatst.
VRAGEN (BLZ 85)
10
a. nunc (r. 23) kan betekenen het heden dat wordt bedoeld met de situatie waarover Aeneas vertelt (vlak voor de val van Troje) of de situatie waarin Aeneas vertelt (aan het hof van Dido).
11
a. panduntur portae (r. 27). De poorten werden na tien jaar oorlog weer geopend. De Trojanen dachten dat ze weer vrij waren en konden gaan waar ze wouden. Niet waar dus, want de Grieken zaten nog ergens verstopt.
b. het belang van het feit dat de poorten weer werden geopend, wordt omschreven met Ergo omnis...Teucria luctu (r. 26). Troje verloste zich van een zeer lange (tien jaar) droefheid.
c. de Trojanen hadden tien jaar lang in droefheid geleefd.
d. de onderliggende gevoelens van de Trojanen worden in de regels 26-27 ondersteund door het metrum. Er is namelijk sprake van bijna alleen maar spondees. Troje verlost zich namelijk van een ‘lange droefheid’.
12
a. in r. 31 met exitiale (= onheilbrengend).
b. er is sprake van dramatische ironie, omdat de lezer en de schrijver weten wat er gaat gebeuren; namelijk omdat het geschenk exitiale is. De Trojanen weten dit echter nog niet.
c. prospectieve elementen:
- in r. 34. sive dolo seu iam Troiae sic fata ferebant.
- in r.35. quorum melior sententia menti.
d. dolo en fata.
e. als de Trojanen naar Capys hadden geluisterd, had Troje nog gestaan. Melior sententia van Capys en de anderen.
Laocoon grijpt in
Als eerste rent daar voor allen (uit) naar beneden, terwijl een grote menigte hem vergezelt, Laocoon, laaiend, vanaf de top van de burcht, en van verre roept hij “o ongelukkige burgers, wat (is dit voor) een grote waanzin? Geloven jullie dat de vijand(en) reeds is/zijn weggevaren? Of denken jullie (soms) dat enige geschenken van de Grieken vrij zijn van listen? Is/staat Odysseus zo bekend? Of er verbergen zich Grieken, ingesloten in dit hout, of dit oorlogstuig is gemaakt tegen onze muren, om onze huizen te bekijken en om van bovenaf de stad in te komen, of er gaat een ander bedrog (in) schuil. Geloof het paard niet, Trojanen. Wat dit ook is, ik vrees de Grieken, zelfs als ze geschenken meebrengen.”
Nadat hij zo gesproken had, slingerde hij met sterke kracht een enorme speer in de flank en in de buik van het ondier, gebogen door samenvoegingen. Deze stond trillend en doordat de buik een schok kreeg, weerklonken de holle ruimtes en gaven een gekreun. En als de lotbestemmingen van de goden (niet ongunstig waren geweest), als onze geest niet onhandig was geweest, had Laocoon de Trojanen ertoe gebracht de Griekse schuilplaats met ijzer te schenden, en zou Troje nu staan, en zou jij, hoge burcht van Priamus, er nog zijn.
r. 40 – magna comitante caterva: ablativus absolutus
r. 43 – avectos hostes (esse) = ACI
r. 44 – dona ... dolis Danaum: alliteratie
r. 44 – retorische vragen. Iedereen weet namelijk best dat geschenken van de Grieken nooit zonder listen zijn.
r. 44 – ellips (est toevoegen).
r. 45 – hoc lingo: hyperbaton
r. 45 – inclusi = ingesloten: woordplaatsing. Ingesloten tussen hoc en lingo
r. 52 – utero(que) recusso = ablativis absolutus
r. 54 – fuisset = irrealis
r. 55 – impulerat = realis
VRAGEN (BLZ 87)
13
a. Laocoon spreekt de Trojanen aan als miseri cives in r. 42.
b. Laocoon ziet het gedrag van de Trojanen als tanta insania in r. 42
c. Laocoon gelooft niet dat de Grieken weg zijn, of een geschenk achter zouden laten zonder list.
d. Het houten paard dient volgens Laocoon als 1) aut hoc inclusi ligno occultantur Achivi (r. 45), 2) aut haec in...desuper urbi (r. 46-47), 3) aut aliquis latet error (r. 48).
14
a. ardens (r. 41) geeft de gemoedstoestand weer van Laocoon. Hij is laaiend om het feit dat de Trojanen het houten paard willen binnenhalen
b. deze gemoedstoestand blijkt uit het feit dat Laocoon van de top van de burcht naar beneden rent.
c. in deze laaiende toestand spreekt Laocoon de Trojanen aan als ongelukkig burgers (o miseri cives).
15
a. illa (r. 52) verwijst naar hastam (r. 50)
b. de plaats van stetit illa wordt omschreven met de woorden latus en alvum in r. 51.
c. in uteroque recusso en cavae cavernae wordt het effect van tremens versterkt. Er is sprake van alliteratie, waardoor de klanken van de woorden de situatie verbeelden.
d. bij stetit illa tremens is er sprake van een omkeerpunt in het verhaal. Vraag is of de Grieken worden ontdekt door de Trojanen, wat er gaat gebeuren met het verloop van de oorlog, etc.
16
a. volgens de verteller had de val van Troje twee oorzaken. 1) fata deum en 2) mens laeva. Het lot van de goden was dus ongunstig en de Trojanen waren domweg niet zo snugger.
b. impulerat (r.55).
c. de verteller roept pathos (hij wekt emoties op bij de lezer) op in de laatste paar regels. Dit doet hij door de burcht persoonlijk aan te spreken, in de tweede persoon dus. Maneres in r. 56: ‘en zou jij, hoge burcht van Priamus, er nog zijn’.
Samenvatting r. 57-198
De lans van Laocoon staat nog te trillen in de flank van het houten paard, als plotseling enkele Trojanen een Griek voor hun koning slepen. Hij noemt zijn naam – Sinon – en vertelt dat hij bij het vertrek van de Grieken is achtergelaten. Hij belooft de Trojanen in ruil voor asiel het geheim van het houten paard te onthullen: Troje zal de bescherming van Pallas krijgen, als het houten paard in haar heiligdom op de burcht van Troje staat. Natuurlijk is Sinon met opzet door de Grieken achtergelaten om de Trojanen ertoe te brengen het paard de stad in te halen. De Trojanen doorzien echter de list van de Grieken niet en hebben medelijden met Sinon.
Twee zeemonsters
Hier doet zich iets anders voor aan de ongelukkigen, veel groter en angstaanjagender, en brengt de argeloze harten in verwarring. Laocoon, door het lot aangewezen priester voor Neptunus, was bij de plechtige altaren een enorme stier aan het offeren. Maar kijk! Twee slangen glijden vanaf Tenedos door de kalme diepten – ik huiver nu ik het vertel – met enorme kronkelingen over de zee en begeven zich tegelijkertijd naar de kust. Hun borst, opgericht tussen de golven, en hun bloedrode kammen steken uit boven de goven, het overige deel kronkelt van achteren door de zee en kromt de enorme rug in een draaiende beweging. Er ontstaat door het opspattende zeewater geluid; en reeds bereiken ze het land en wat betreft hun vlammende ogen doorlopen met bloed en vuur likten zij hun sissende bekken met trillende tongen.
VRAGEN (BLZ 89)
17
a. in de regels 201 t/m 211 wordt bij de lezer/toehoorder pathos (emotie) opgewekt door sprekend details, vertellerscommentaar en het gebruik van het praesens historicum.
In r. 203 met ecce autem! wordt er pathos opgewekt.
In r. 204 met horresco referens. De verteller huivert terwijl hij vertelt over de slangen.
In r. 206/207 met iubaeque sanguinaea.
18
a. incumbunt (r. 205) geeft het begin van de tocht van de slangen weer. Tenebant (r. 209) geeft het eind van hun tocht weer.
b. er zit dramatische ironie in het vertellen van de aankomst van de slangen. Zo weet de lezer namelijk dat de slangen eraan komen, maar de personen in het verhaal natuurlijk nog niet.
c. in de opbouw van de passage (r. 203 – 211) wordt duidelijk met details in beeld en geluid dat de monsters dichterbij komen. Eerst wordt alleen maar vermeld dat er twee enorme slangen door de zee kronkelen, vervolgens wordt duidelijk dat hun borst boven het water uitsteekt. Naarmate ze verder naderen ontstaat er geluid, en worden details – zoals hun met bloed doorlopen ogen en het geluid van hun sissende bekken – steeds duidelijker.
in deze tekst is veel sprake van details! Pathos opwekken.
r. 199 – maius miseris multoque = alliteratie
r. 201 - 202: sprake van veel spondees. Laocoon is de stier aan het offeren.
r. 202 – mactabat = imperfectum met een duratief gebruik: Laocoon is bezig met het slachten.
r. 203 – gemini...angues = hyperbaton. Hier is gebruik van gemaakt om spanning te creeeren. De lezer leest eerst gemini en vraagt zich af wat er nadert.
r. 204 – horresco referens; pathos opwekken.
r. 206 – quorum = eorum
r. 206: woordplaatsing. Inter fluctus staat tussen pectore quorum en arrecta in. Woordplaatsing verbeeld de situatie.
r. 209 – sonitus spumante salo = alliteratie met sisklanken. Slangen maken sisklanken.
r. 210 – ardentes(que) oculos = accusativus respectus. ‘wat betreft’ hun vlammende ogen.
r. 211 – chiasme en iconografisch element. De trillende tongen zitten IN de sissende bekken. Dus linguis vibrantibus staat tussen sibila ora in.
De slachtoffers
Wij vluchtten uiteen, doodsbleek door het aanblik. Zij gaan met trefzekere koers naar Laocoon; en eerst omstrengelden beiden slangen de kleine lichamen van de twee zonen nadat ze hen omhelsden en door het bijten grazen ze de ongelukkige ledematen af. Daarna grijpen ze hemzelf, terwijl hij te hulp komt en wapens brengt, en verstrikken hem door enorme kronkels en nadat ze hem tweemaal om zijn middel hebben omhelsd, nadat ze hun geschubde ruggen tweemaal om zijn nek hebben gelegd, steken zij met kop en hoge nekken boven hem uit.
Hij, overgoten met etter en zwart gif wat betreft zijn priesterbanden, spant zich tegelijkertijd in om de knopen uiteen te rukken, tegelijk heft hij een huiveringwekkend geschreeuw naar de sterren, een zodanig geloei, als wanneer een gewonde stier van het altaar ontvlucht en de niet trefzekere bijl losschudt uit zijn nek.
Maar de twee slangen ontsnapten in een glijbeweging naar het hoogste heiligdom en trachtten de burcht van de woeste Tritonis te bereiken en verbergen zich onder de voeten van de godin en de cirkel van haar schild.
r. 215 – miseros hoort grammaticaal bij artus, maar inhoudelijk hoort het bij natorum -> ennalage.
r. 222 – ad sidera is een hyperbool. Laocoon schreeuwt naar de sterren.
VRAGEN (BLZ 91)
19
a. het tekstgedeelte ille simul manibus tendit divellere nodos (r. 220) beschrijft dezelfde situatie als die de beeldengroep (blz 90) afbeeldt. Namelijk dat Laocoon zich probeert te bevrijden van de slangen.
b. in deze beeldengroep worden twee fasen van het verhaal tegelijk afgebeeld. Namelijk de fase waarin de twee zonen van Laocoon worden verstrengeld door de slangen, en de fase waarin Laocoon zélf door de slangen wordt verstrengeld en zich probeert te bevrijden.
c. het beeld laat niet zien dat Laocoon met wapens te hulp komt. De beeldengroep beeldt ook niet af dat de slangen boven Laocoon uitsteken.
d. Vergilius gebruikt een vergelijking om aan te geven dat Laocoon zal sterven. Namelijk de vergelijking met een geofferde stier. De beeldhouwer gebruikt heftige gezichtsuitdrukkingen in het beeld.
20
a. qualis (r. 223) vergelijkt het huiveringwekkende geschreeuw (clamores horrendos) van Laocoon met het geloei van een gewonde stier (mugitus).
b. de overeenkomst tussen Laocoon en de stier is dat ze beiden gewond zijn en allebei proberen te ontsnappen aan hun noodlot.
c. er wordt niet zoveel aandacht meer besteed aan de slangen, maar aan Laocoon die vermoord wordt.
21
a. saevae petunt Tritonidis arcem (r. 226). Hiermee wordt bedoeld de burcht van Pallas Athene.
b. Pallas Athene wordt bedoeld met Tritonidis.
Het houten paard naar de burcht van Troje
Dan werkelijk dringt bij allen in de geschokte harten een nieuwe angst binnen, en ze zeggen dat Laocoon verdiend heeft geboet voor zijn misdaad, hij die het gewijde eikenhout met de speerpunt heeft gekwetst en de misdadige speer naar de rug heeft geslingerd. Samen schreeuwen ze dat het beeld naar de woonplaats (van de godin) moet worden gebracht en dat de (goddelijke) macht moet worden aanbeden. We scheiden de muren en leggen de verdedigingsmuren van de stad open. Allen maken zich gereed voor het werk en brengen rolldende wielen voor de voeten van het paard aan, en boeien van hennep maken ze vast aan de hals; het noodlottige bouwwerk beklimt de muren, gevuld met wapens. Rondom zingen jongens en ongehuwde meisjes heilige (liederen) en ze verheugen zich om de kabel met de hand aan te raken. Het (bouwwerk) komt mee en rolt dreigend het midden van de stad binnen. O vaderland, o Troje, huis van de goden, en door oorlog beroemde stadsmuren van de Trojanen! Viermaal precies blijft het op de drempel van de poort steken en viermaal gaven de wapens in de buik geluid; toch dringen wij aan, zonder erop te letten en verblind door waanzin, en we plaatsen het ongeluk brengende gevaarte op de gewijde burcht.
VRAGEN (BLZ 93)
22
a. immemoris (r. 244) = zonder erop te letten. De Trojanen letten niet op het geluid van de wapens dat ontstaat, doordat het houten paard viermaal op de drempel van de poorten blijft steken.
Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!