Samenvatting hoofdstuk 4, geneesmiddelen
Paragraaf 1
Een reguliere arts vraagt naar jouw klachten. Aan de hand hiervan probeert hij de lichamelijke oorzaak van jouw klacht te achterhalen. Ook een homeopathische arts informeert naar jouw klachten. Bovendien probeert hij een indruk te krijgen van hoe jij bent als persoon. Dat doet hij door middel van vragen stellen. Hierdoor probeert hij jouw ziektebeeld te achterhalen.
Een reguliere arts schrijft een middel voor dat de klacht bestrijdt. Een homeopathisch arts schrijft een middel voor dat het zelfgenezende vermogen van jouw lichaam versterkt. Dit betekent dus dat je eigenlijk een beetje ziek wordt gemaakt, waardoor jouw lichaam antistoffen aanmaakt. Homeopathische geneesmiddelen zijn sterk verdund met water of alcohol.
Bij onderzoeken van een regulier geneesmiddel wordt het middel bij zieke mensen ingebracht. Onderzocht wordt naar de werking en de bijwerkingen. Ook wordt gekeken welke dosis de beste werking heeft.
Bij onderzoeken van een homeopathisch geneesmiddel wordt het middel door gezonde mensen ingenomen. De onderzoeker houdt bij welke verschijnselen er op treden: zowel lichamelijke als psychische. Ook wordt gekeken onder welke omstandigheden de verschijnselen erger worden. Aan de hand hiervan wordt het geneesmiddelbeeld opgesteld. Wanneer een homeopathisch arts een geneesmiddel voorschrijft, vergelijkt hij het geneesmiddelbeeld met het ziektebeeld. Ook stelt hij vast in welke verdunning het moet worden gebruikt.
- De reguliere geneeskunde is gebaseerd op het principe dat ziekten bestreden moeten worden.
- De homeopathie is gebaseerd op het principe dat het zelfgenezend vermogen van het lichaam versterkt moet worden.
- Een homeopathisch arts gaat na wat het ziektebeeld is van een patiënt. Dit wil zeggen welke klachten een patiënt heeft en onder welke omstandigheden ze verergeren. Hij gaat ook na wat voor iemand de patiënt is. Vervolgens wordt het ziektebeeld vergeleken met het geneesmiddelbeeld van een medicijn. Wanneer dit met elkaar overeenkomt, is het juiste geneesmiddel gevonden.
Een reguliere arts gaat na wat de klachten zijn van een patiënt. Vervolgens schrijft hij het geneesmiddel voor dat de klachten bestrijdt. - In het onderzoek naar homeopathische geneesmiddelen krijgt een gezond persoon het medicijn toegediend. Vervolgens wordt nagegaan welke verschijnselen (zowel lichamelijke als psychische) er gaan optreden. Dit levert het geneesmiddelbeeld op.
In het onderzoek naar reguliere geneesmiddelen krijgt een patiënt het geneesmiddel toegediend. Vervolgens wordt onderzocht of de klachten verminderen en wat de bijwerkingen zijn. - In de reguliere geneeskunde is een medicijn goed wanneer het de ziekte effectief bestrijdt en wanneer het geen bijwerkingen heeft.
In de homeopathie is een geneesmiddel goed wanneer het geneesmiddelbeeld goed overeenkomt met het ziektebeeld.
Paragraaf 2
Het oplossen van bestanddelen van de ui in de alcohol (bij oertinctuur), noemt men extractie. Hiervoor heb je een extractiemiddel nodig. Voor het maken van oertinctuur is het extractiemiddel 86% alcohol. Dat is alcohol waar een klein beetje water aan is toegevoegd.
Na afloop van een extractie volgt altijd een filtratie. Het resultaat van filtreren is een filtraat en een residu. Het filtraat is de vloeistof die door het filtreerpapier loopt en het residu is dat wat op de filter achterblijft.
Het verdunnen van een homeopathisch geneesmiddel heet potentiëren. Er wordt gepotentieerd in stappen van 1 op 10 (decimale verdunningen) en 1 op 100 (centesimale verdunningen). Het homeopathische geneesmiddel allium cepa heeft als toevoeging D6. Dit betekent dat er 6 maal verdund en geschud is, waarbij steeds de verhouding 1 deel oertinctuur en 10 delen verdunnend mengsel is aangehouden.
- In de homeopathie worden veel geneesmiddelen gemaakt door middel van extractie en filtratie, gevolgd door potentiëren.
- Bij extractie versnippert of verpoedert men de plant of deel van de plant, vervolgens mengt men dit met een extractiemiddel, tenslotte laat men het mengsel enige tijd staan. De oplosbare bestanddelen lossen op, de onoplosbare niet.
- Een extractiemiddel is een vloeistof waarin de oplosbare bestanddelen van een plant oplossen en onoplosbare niet.
- Extractie berust op een verschil in oplosbaarheid van stoffen in het extractiemiddel.
- Bij filtratie giet men een mengsel van een vloeistof (of een oplossing) en een vaste stof door een filtreerpapeirtje dat in een trechter is geplaatst. De vloeistof loopt er door heen, de vaste stof niet.
- Het filtraat is de vloeistof die door het filtreerpapiertje loopt; het residu is de vaste stof die op het filtreerpapiertje blijft liggen.
- Filtratie berust op een verschil in deeltjesgrootte, sommigen zijn zo klein dat ze door het filter lopen, andere niet.
- Decimale potentiëring: men verdunt een oertinctuur met de factor 10, men schudt de verdunde oertinctuur. Dit herhaalt men een aantal malen.
Paragraaf 3
Oertinctuur moet aan drie kwaliteitseisen voldoen:
- er moeten stoffen inzitten die zwavel bevatten.
- de dichtheid moet tussen de 0,940 en 0,960 g/ml liggen.
- het chromatogram (kleurenspoor) moet karakteristiek zijn voor allium cepa.
Men noemt loodacetaat ook wel eens een reagens op stoffen met zwavel erin. Dit betekent dat loodacetaat een stof is waarmee je stoffen met zwavel kunt aantonen. Hiervoor is nodig dat er een zichtbare reactie optreedt tussen loodacetaat en deze stoffen (het onstaan van de zwartbuine kleur). Hierdoor weet je zeker dat je met deze stoffen te maken hebt.
- Een reagens is een stof waarmee een andere stof aangetoond kan worden.
- De dichtheid van een stof wordt als volgt bepaald: men weegt een maatcilinder van 10 ml op een weegschaal; men giet 10 ml vloeistof in de maatcilinder; men weegt de maatcilinder opnieuw; men trekt het eerste gewicht van het tweede af en deelt het antwoord door 10.
- Een chromatogram is een kleurenspoor dat typerend is voor een bepaald mengsel.
- Een chromatogram wordt als volgt gemaakt: met een druppelpipet wordt een stipje van de te onderzoeken stof op een plastic plaatje met fijn verdeeld zand gezet; het plaatje wordt in een bekerglas met loopvloeistof gezet (bekerglas afsluiten met horlogeglas); wachten totdat de loopvloeistof tot bijna bovenaan het plaatje is gekomen; plaatje uit het bekerglas nemen.
- Wat je hier vervolgens aan hebt: het kleurenspoor dat verkregen is door middel van chromatografie vergelijken met het kleurenspoor van een bekende stof.
- Chromatografie is een scheidingsmethode omdat een mengsel van (kleur)stoffen gescheiden wordt in de afzonderlijke (kleur)stoffen. Dit wil zeggen: de afzonderlijke stoffen komen op verschillende plaatsen terecht.
- Een loopvloeistof is een oplosmiddel dat gebruikt wordt bij chromatografie.
- Bij chromatografie wordt gebruik gemaakt van een verschil in oplosbaarheid in de loopvloeistof en een verschil in aanhechtingsvermogen aan het adsorptiemiddel.
Paragraaf 4
Bij de productie van reguliere geneesmiddelen, spelen chemische reacties een grote rol. Bij de bereiding van bitterzout (laxeermiddel) geldt:
Magnesium + accuzuuroplossing à bitterzoutoplossing + waterstofgas.
BTB is een afkorting van broomthymolblauw.
- Bij het indampen werk je met kleine hoeveelheden stof, dus je gebruikt een kleine, kleurloze en geluidloze vlam; veiligheidsbril op; lange haren vast; de proef in de gaten houden, dus niet weglopen; de brander wegtrekken wanneer de oplossing te hard kookt of gaat spetteren.
- Een overmaat is het teveel aan stof dat overblijft na een chemische reactie.
- Een chemische reactie is te herkennen aan een verandering van stofeigenschappen.
- Bij chemische reacties zijn begrippen als ingrediënt, hulpstof en bestanddeel niet meer van toepassing omdat deze veranderen tijdens een chemische reactie. Deze begrippen zijn van toepassing bij het mengen en scheiden van stoffen.
- Zuivere (vloei)stoffen kunnen gevaarlijk zijn. Daarom gebruiken we vaak oplossingen.
- Afval kan gerecycled worden door de bruikbare bestanddelen uit afval terug te winnen.
Paragraaf 5
Bij de bereiding van bitterzout valt op dat het afvalprobleem en de noodzaak om het product te zuiveren, twee oorzaken heeft. De eerste is de overmaat. Dit wil zeggen: het magnesium dat je na de reactie nog overhoudt en dus teveel is. De tweede oorzaak is het voorkomen van een overmaat accuzuur.
- De reactieverhouding kun je experimenteel bepalen. Zo doe je dat: weeg een precieze hoeveelheid natriumwaterstofcarbonaat af, noteer het gewicht; weeg een druppelflesje met zoutzuur, noteer het gewicht; doe de afgewogen hoeveelheid natriumwaterstofcarbonaat in een reageerbuis en los het op in een beetje water; doe er enkele druppels methylrood bij; druppel er zoutzuur uit het flesje bij totdat de kleur veranderd; weeg het flesje zoutzuur opnieuw en trek dit gewicht af van het eerste; bereken hoeveel waterstofchloride er in de gebruikte hoeveelheid zoutzuur zat (zoutzuur is de oplossing van waterstofchloride). Je weet nu de hoeveelheid natriumwaterstofcarbonaat die met de hoeveelheid waterstofchloride reageert, dus je weet de reactieverhouding.
- Hoe reken je de hoeveelheid waterstofchloride die met een bepaalde hoeveelheid natriumwaterstofcarbonaat reageert, uit? Schrijf de reactieverhouding op: het aantal gram waterstofchloride boven het aantal gram natriumwaterstofcarbonaat in een verhoudingstabel. Reken dit uit met behulp van de verhoudingstabel.
- Hoe heeft kennis van reactieverhoudingen het maken van producten verbeterd? Wanneer men weet in welke verhouding stoffen met elkaar reageren, kan men van te voren uitrekenen hoeveel er van die stoffen nodig is. Er is dan geen overmaat. Dit bespaart stof, voorkomt afval en maakt zuiveringsstoffen overbodig.
Paragraaf 6
De atoom- en molecuultheorie van John Dalton houdt in:
- Alle stoffen bestaan uit atomen.
Sommige stoffen bestaan uit losse atomen, andere stoffen uit groepjes van dezelfde atomen en weer andere uit groepjes van verschillende atomen. Groepen atomen noemen we moleculen. - Dezelfde atomen zijn in alles hetzelfde, ook wat hun massa betreft.
- Een chemische reactie is niet anders dan een hergroepering van atomen.
Dit blijkt niet alleen uit tekeningen, maar ook uit de namen van de reactieproducten.
Dezelfde soorten atomen heten elementen. Verschillende soorten atomen heten verbindingen.
- Molecuulmassa’s kun je uitrekenen door de atoommassa’s bij elkaar op te tellen, rekening houdend met de getallen die in de formule staan.
- Een element is een stof die bestaat uit één soort atomen, een verbinding is een stof die is opgebouwd uit meerdere soorten atomen.
- Leer bijlage 4 (naam + symbool) uit je hoofd!
- Een schema helpt je bij de bereiding van een stof omdat erin staat wat je nodig hebt en wat je moet doen. Een reactievergelijking heb je nodig bij chemische reacties omdat erin staat welke stoffen in welke verhoudingen met elkaar reageren.
- Men hoeft de reactieverhouding niet van te voren door middel van een experiment vast te stellen. Chemische berekeningen besparen dus stoffen en werk.
Niet gevonden wat je zocht? Probeer dan eens te zoeken met Google!